Ziekenhuis
Met een dubbelgevoel kijk ik naar buiten door het raam van het splinternieuwe ziekenhuis, acht hoog, uitzicht over Den Bosch. “Ach” denk ik bij mezelf, “Ik heb niets te klagen. Ik ben hier zo weer weg, en ik ben weer een ervaring rijker.”.
Ik ben vanmiddag opgenomen nadat ik thuis van ellende in elkaar zakte na een hoesbui waar je u tegen zegt. Kortademigheid, bezweet, benauwd. Het is geen pretje om geen controle meer te hebben over je eigen adem. Mezelf opgetrokken aan m’n bed en m’n bureau en met trillende handen de huisarts gebeld. Gesloten. Mooi kut.
Er is een spoedlijn, ik weet niet eens wat er met me aan de hand is, wat is dan spoed? Maar ik merk dat ik ga hyperventileren (weer zo’n first!), ik maak me kennelijk goed zorgen – dat is spoed genoeg.
De mevrouw aan de andere kant van de lijn probeert me eerst voor het reguliere spreekuur in te delen. “Red u het nog tot 4 uur?” klonk het aan de andere kant van de lijn met een licht geïrriteerde stem. Kennelijk klonk ik niet stervend genoeg. Maar deze vraag werd onbewust beantwoord met wat gestamel van “Ja, eh, denk ‘t wel.” maar ondertussen zette de hyperventilatie in en kreeg ik niet meer dan 2 woorden uit m’n strot zonder naar lucht te happen als een kat in het water. Dit was genoeg om haar te overtuigen, ik kon per direct komen.
De huisarts zat gebiologeerd te kijken en strooide met allerlei Latijnse termen over de telefoon tegen een longarts. Misschien was het een klaplong, misschien astma, maar dat zou niet kloppen met het patroon. Bronchites? Nouja, ik had weer geen koorts. “Ik heb nátuurlijk weer geen koorts” dacht ik bij mezelf. In elk medisch avontuur in mijn leven is het bij mij nét even anders. Ondertussen maakte ik me zorgen. Wat zou het dan wel kunnen zijn, belangrijker nog, wanneer houdt het op?
Ik werd ‘hoe dan ook doorverwezen naar het ziekenhuis. Ik bel een ambulance voor je’. Oh fuck, een ambulance. Reality check, het is serieus. Heb je wel weer wat te vertellen in de kroeg later, grote verhalen ophangen hoe die ambu vol snelheid met zwaailicht en sirene door de straten van Den Bosch scheurde, daarbij bijna nog een bejaarde dame van d’r rollator af te rijden. Uiteindelijk toch maar met moeders meegereden, die bijna ook hier mocht blijven van schrik.
Sinds binnenkomst bij de spoedeisende hulp (dat gaat echt vlot hier!) heb ik al weet ik hoeveel plakkers, hartmonitors, prikken en beademing gehad. Op het moment dat me verteld werd dat ik werd opgenomen wist ik niet eens wat er eigenlijk met me aan de hand was. Ik schrok er wel van, kennelijk. Het apparaat dat mijn hartslag bijhield begon in ieder geval te piepen op het exacte moment dat de longarts in opleiding met dat schattige neusje de woorden “je zult hier moeten blijven, je krijgt zo vast een infuus” uitsprak.
Nu blijkt dat ik astma heb gekregen – ja, dat kan elk moment gebeuren als het maar in je genen zit. En niet zomaar, meteen een zwaarst mogelijke aanval. “Dat verklaart de paniek van eerder vandaag in ieder geval” denk ik bij mezelf.
In retrospect heb ik dus twee dagen in een astma-aanval rondgelopen die daarna z’n hoogtepunt bereikt had. Mijn longcapaciteit werd geschat rond de 25% / 30% toen ik opgenomen werd.
“Ze hebben hier tijd genoeg” is een uitspraak die ik vaak hoorde in de 4 uur dat ik in dit gebouw was. ‘Fijn,’ dacht ik ‘hun wel. Ik moet morgen godverdomme m’n scriptie inleveren’. En ik sta uit het raam te kijken. “Tijd.. Tijd.. Stress.. Druk.. bleh.”. Ondertussen arriveren m’n spullen. Mams heeft rantsoen gepakt voor zeker een paar dagen, met m’n laptop en werkspul. “Kan ik in ieder geval vooruit”, mompelde ik. Maar het deed me pijn dat te zeggen. Vier jaar lang op die studie heb ik altijd gedacht “Wat zou het fijn zijn om nu opgenomen te worden in een ziekenhuis. Dan staat alles even stil en kan ik uitrusten.”. Nou, het moment is daar, vlak voor m’n afstuderen – goddamn! Ben ik zelfs nu nog aan het werk.
Internet via m’n telefoon, want een draadloze verbinding komt wel, maar is hier nog niet. Laatst geopende pagina; Google, bronchitis. “Verdomme ironisch” denk ik bij mezelf. “En dan lig ik hier op de urologie afdeling. Als astma patient zonder ervaring met astma, laat staan urologie. Zou ik het toilet zoveel kunnen gebruiken als ik wil?”
Maarja, ik heb me er bij neergelegd. Ik kan oprecht zeggen dat ik bang was op het moment dat ik m’n schoenen uitdeed en op bed ging liggen. Normaal deed ik dit bij oma in het ziekenhuis, en dan hield ik m’n schoenen aan. Nu lig ik er zelf. Omdat ik moeite heb met ademen… Ádemen, primaire levensbehoefte #1. En ik heb daar weer moeite mee…
Ik vind het ook doodeng om te lopen. Ik las in mijn rapport dat ik niet meer dan 10 meter kon lopen, leek me wat overdreven. Maar met 10 meter ben ik echt buiten adem. Hallo zeg, ik ben 22. Wat moet ik hier nou mee?
‘Schijt aan die tien meter’ en mn kop overstromend van emotionele angst, ben ik gewoon naar beneden gelopen. Net buiten de deur even bijgekomen als een bejaarde, en wat verder gelopen. Ik wilde me afzonderen, even alleen zijn. Dat kan hier niet. Lopend over het gras rondom het ziekenhuis werd ik teruggeroepen door een beveiligingsmedewerker. Dat was kennelijk niet de bedoeling, ik moest maar op de weg blijven.
Ik zag aan z’n ogen en merkte aan zijn toon van praten dat hij dacht dat ik van de psychiatrische inrichting kwam. “Ben jij hier opgenomen?!” “Ja meneer.” “Mocht jij naar buiten?!” “Ja meneer..” “Waarom dan?” “eh, een frisse neus halen?”. De man sprak me aan alsof ik een crimineel was die niet goed bij z’n hoofd was. Dat ik op het punt stond mentaal in te storten droeg misschien wel bij aan dat oordeel.
“Ach,” dacht ik “niemand is blij om hier te zijn, en ik hoop hier toch snel weg te zijn”. Anonimiteit alom. Ik nam plaats voor de ingang en heb heerlijk zitten janken. Ging het dan over het feit dat ik nu een ziekenhuis patient was? Denk het niet. Het had vooral te maken met het feit dat ik dit er weer bij kreeg, ik meende dat ik wel genoeg aandoeningen had. En dan ook nog zo een die je leven veranderd, waar je de rest van je leven rekening mee moet houden. “Er kan nog meer bij!” schelde André Manuel in mijn gedachten, met een sombere ondertoon. Daarnaast nog alle stress die zich ophoopte tot het instorten van vanmiddag. Ik zit er, echt, doorheen. Maar dit laat me wel accepteren dat ik hier lig, dat ik hier ook wel weer wegkom, maar dat ik anders tegen het leven aan ga kijken. Niet zozeer omdat de ziekenhuisbehandeling zo ingrijpend of eng is, maar omdat voor mijn gevoel het moment nu echt is gekomen dat ik bezweken ben onder de stress. Vlak voor de finish, vlak voor de victorie. Het was toch teveel. Nou, ben je mooi klaar mee. Leuk begin van een nieuw hoofdstuk in m’n leven.
De nacht was kort, elke twee uur werd ik gewekt door een zuster om m’n zuurstof en hartslag te controleren. Hiervoor wil ik series als Scrubs en Grey’s Anatomy graag bedanken. Deze series maken in een ziekenhuis werken ‘hip’ en dat zie je af aan de zusters. Geen zorg-nonnen meer, maar spontane meisjes met een gevoel voor humor die zich goed kunnen relateren aan de stress waar ik me in bevind, slapend in een ziekenhuis op de dag dat ik m’n afstuderen moet regelen.
Na het ontbijt van bevroren brood, een infuusje paardenmiddel en als toetje wat beademing, de laatste dingen voor m’n scriptie geregeld. Als het goed is komt mijn strijdlustige moeder vanmiddag met de scripties terug van de drukker, zodat ik de bijlagen toe kan voegen waarop zij ze weg kan brengen naar school. Ik geloof wel dat dat goed komt, zij wil net zo graag af van de Fontys als ik.
“Het komt allemaal wel weer goed”, mijn mantra. Er komt ‘n dag dat je hierom kunt lachen, hell, je hebt gisteren nog met een grijns naar het infuus op je arm zitten kijken. Weer een ervaring rijker.
Ik krijg een wegwerp inhalator, of ik moet zeggen de “Symbicort Turbuhaler 200″. Voor 120 dagen, twee keer per dag. Dus na 60 dagen is het ding leeg en ben ik weer de oude, althans daar gaan we vanuit.
De nieuwe oude weliswaar. Degene die voortaan op z’n nachtrust gaat letten, niet meer hooi op z’n vork gaat nemen als mogelijk en vooral aan z’n conditie gaat werken. “Scheelt ook mooi in de benzine kosten” denk ik bij mezelf terwijl ik over mijn pre-fab maaltijdplank door het raam naar een slaperig Den Bosch kijk.
Even later krijg ik een aantal longonderzoeken, de assistente liep me te pushen om beter m’n best te doen. De grafieken op het scherm leken een kleutertekening, allemaal gekleurde lijntjes die ongecontroleerd op en neer schoten. “Dat zou in twee vloeiende lijnen moeten lopen”, tja meid, daar kan ik ook niet veel aan doen, wel?
Gelukkig onderbrak de longarts ons en hij vond het wel goed genoeg. Hij begreep mijn situatie dat ik (helaas) echt niet te lang in het ziekenhuis kon blijven en vertelde me dat mijn longcapaciteit nu rond de 55% is. Regulier ligt dat tussen de 80% en 120%. “Ik laat je gaan op de voorwaarde dat je dírect terug komt als het misgaat.” Jawel meneer, danku meneer. Dan ga ik nu weer door met de laatste loodjes, en ik vraag me af of deze mini-instorting het einde is van dit deel van m’n leven, of dat ik dadelijk na m’n diploma uitreiking weer stomme grapjes mag maken met de nachtzuster die me elke twee uur wakker komt maken.
In ieder geval hulde aan het ziekenhuis, afgezien van het feit dat het een prachtig gebouw is van binnen, is het personeel erg ondersteunend geweest en ik voelde me eigenlijk al thuis daar. Nou zal dat vast normaal zijn, maar het was m’n eerste keer. Dan is alles specialer.
